ECLI:NL:RBDHA:2021:16613
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning wegens niet voldoen aan inburgeringsvereiste
Eiser, met de Marokkaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning als gezinslid bij zijn echtgenote, welke met terugwerkende kracht werd ingetrokken. Hij vroeg een nieuwe verblijfsvergunning aan op basis van niet-tijdelijke humanitaire gronden, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat hij niet voldeed aan het inburgeringsvereiste, aangezien hij geen inburgeringsexamen had behaald.
Eiser voerde aan dat hij vrijgesteld was van het inburgeringsvereiste op grond van een gemeentelijke brief uit 2013 en dat hij al voldoende ingeburgerd was, mede door zijn langdurige verblijf, taalvaardigheid en gezinssituatie. De rechtbank oordeelde dat de brief van de gemeente geen vrijstelling geeft voor het inburgeringsvereiste bij voortgezet verblijf en dat de bevoegdheid hierover bij de staatssecretaris ligt.
Verder overwoog de rechtbank dat het inburgeringsvereiste niet in strijd is met de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn, mits het niet onredelijk streng wordt toegepast. De rechtbank vond dat verweerder terecht mocht eisen dat eiser het inburgeringsexamen aflegt, ook gezien zijn eigen stelling dat hij ingeburgerd is en de mogelijkheden om het examen op verschillende manieren af te leggen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning wegens niet voldoen aan het inburgeringsvereiste is ongegrond verklaard.