Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Palestijnse nationaliteit, is op 5 oktober 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij betwist de bewaring en voert aan dat hij minimaal drie maanden aantoonbaar in Turkije heeft verbleven, waardoor geen sprake zou zijn van een Dublinclaim. Tevens stelt hij dat de hoofdagent bij inbewaringstelling niet op de hoogte was van de verlenging van de overdrachtstermijn.
De rechtbank oordeelt dat er wel degelijk een concreet aanknopingspunt bestaat voor overdracht op basis van de Dublinverordening, nu Nederland een overdrachtsverzoek naar Oostenrijk heeft gestuurd dat is geaccepteerd, en de overdrachtstermijn is verlengd omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Het feit dat eiser drie maanden buiten de EU zou hebben verbleven doet hier niet aan af, aangezien de rechter hierover niet oordeelt.
Verder acht de rechtbank de zware grond 3a (illegale binnenkomst) feitelijk juist en voldoende gemotiveerd, wat samen met de lichte gronden voldoende is voor het aannemen van een significant risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.