Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
Procesverloop
Overwegingen
“Wanneer, wegens een
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van twee eiseressen, moeder en dochter, tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling werden genomen. Dit was gebaseerd op de Dublinverordening, waarbij Nederland Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen.
Eiseressen voerden aan dat artikel 16 van Pro de Dublinverordening op hen van toepassing zou zijn vanwege hun afhankelijkheid van hun zoons/broers in Nederland en dat de overdracht naar Frankrijk onevenredige hardheid zou veroorzaken, mede vanwege medische omstandigheden en gezinsbanden. Verweerder stelde dat deze afhankelijkheid niet aannemelijk was en dat de omstandigheden niet voldeden aan de criteria van artikel 16.
De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante omstandigheden had meegewogen en dat het beroep ongegrond was. De gestelde medische risico's waren onvoldoende onderbouwd en er was geen sprake van een gezinssituatie zoals bedoeld in de Dublinverordening. De overdracht naar Frankrijk werd niet als onevenredige hardheid beschouwd.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.