Eiser, met de Albanese nationaliteit, kreeg op 28 augustus 2021 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit omdat het inreisverbod hem belemmerde om in de EU te werken en verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd.
Tijdens de zitting op 13 september 2021 gaf eiser aan dat een inreisverbod voor hem het ergste is en dat hij graag in Europa wil werken. De rechtbank constateerde dat de gronden voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod gelijk zijn aan die van de maatregel van bewaring, maar dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het inreisverbod niet werd ingetrokken of verkort.
Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek, wat leidt tot vernietiging van het besluit voor zover het het inreisverbod betreft. Desondanks oordeelt de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven, omdat eiser geen bijzondere persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die een verkorting van het inreisverbod rechtvaardigen.
De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot vergoeding van de proceskosten van eiser van €1.050,-.