Verzoekers hebben een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, maar hun aanvragen zijn bij besluiten van 6 oktober 2021 niet-ontvankelijk verklaard door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 28 oktober 2021 behandeld, waarbij verzoekers en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van verweerder. Na de uitspraak in de bodemprocedure (zaaknummers NL21.16032 en NL21.16034) achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Wel veroordeelde hij de staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 1.496,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.