ECLI:NL:RBDHA:2021:16816

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 november 2021
Publicatiedatum
5 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.15267
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 EVRMArt. 1 VluchtelingenverdragArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens twijfel aan nationaliteit en ongeloofwaardigheid afvalligheid islam

Eiser, afkomstig uit Afghanistan, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege zijn afvalligheid van de islam en problemen met de Taliban en een imam. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser volgens EU-Vis beschikt over de Pakistaanse nationaliteit, wat hem de mogelijkheid biedt zich in Pakistan te vestigen.

Eiser stelde dat het Pakistaanse paspoort vals was en dat hij uitsluitend de Afghaanse nationaliteit bezit, onderbouwd met Afghaanse documenten en een verklaring van de Afghaanse ambassade. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van de juistheid van het EU-Vis en dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat het paspoort vals was.

Daarnaast achtte de rechtbank de afvalligheid van de islam niet aannemelijk. Verweerder mocht betogen dat eiser onvoldoende inzichtelijk maakte hoe zijn afvalligheid tot stand kwam en wat de gevolgen daarvan waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van Afghaanse nationaliteit en ongeloofwaardigheid afvalligheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.15267
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.15268, op 27 oktober 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Mamik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedatum 1] 1993 en van Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft asiel gevraagd omdat hij afvallig is van de islam en omdat hij (mede) in verband hiermee in Afghanistan problemen heeft ondervonden met de Taliban en de Imam.
2. Uit EU-Vis is gebleken dat eiser van de Nederlandse autoriteiten in Dubai een visum heeft verkregen op basis van een Pakistaans paspoort. In dit paspoort staat dat eiser [eiser] is, dat hij is geboren op [geboortedatum 2] 1992 en dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
(1) Pakistaanse nationaliteit;
(2) Afghaanse nationaliteit en identiteit;
(3)
(4) Afghaanse herkomst
(5) Afvalligheid islam
(6) Problemen in Afghanistan: Taliban en de imam.
Verweerder heeft de elementen onder (1), (3) en (5) geloofwaardig geacht en de elementen onder (2) en (4) niet. Verweerder verleent eiser geen asielvergunning vanwege de problemen die hij in Afghanistan heeft ondervonden met de Taliban en de imam, omdat eiser zich vanwege zijn Pakistaanse nationaliteit in Pakistan kan vestigen.
Over de nationaliteit van eiser
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte stelt dat hij de Pakistaanse nationaliteit heeft. Hij heeft het Pakistaanse paspoort op valse wijze verkregen. Eiser voert aan dat hij alleen de Afghaanse nationaliteit heeft. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser een tazkera, een rijbewijs en een cijferlijst ingediend. De tazkera en het rijbewijs zijn echt bevonden. Eiser heeft ook een verklaring van de Afghaanse ambassade ingediend, waarin wordt bevestigd dat eiser een Afghaanse onderdaan is. Ter onderbouwing heeft eiser verder aangevoerd dat hij Pashtu spreekt in een dialect dat alleen in Kandahar wordt gesproken en dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat de herkomst van eiser in Afghanistan is gelegen.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.2.
Op grond van vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken mag verweerder in beginsel uitgaan van de juistheid van de informatie in EU-Vis. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aan te tonen dat deze informatie niet klopt.1
5.3.
Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser hierin niet is geslaagd. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat het Pakistaanse paspoort vals is dan wel op valse wijze is verkregen.2 Eiser heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft het Pakistaanse paspoort vernietigd. Verweerder kan de echtheid van dit paspoort dus niet meer onderzoeken. Daar komt bij dat een vreemdeling volgens vaste rechtspraak niet met documenten uit het ene land kan aantonen dat hij niet de nationaliteit heeft van een ander land.3 Eiser kan dus niet met de Afghaanse documenten aantonen dat hij niet (ook) de Pakistaanse nationaliteit heeft. De Afghaanse documenten zeggen niets over de vraag of het Pakistaanse paspoort vals is of op valse wijze is verkregen. Ook de omstandigheid dat eiser Pashtu spreekt en dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser in Afghanistan heeft verbleven, maakt niet dat verweerder niet langer van de Pakistaanse nationaliteit van eiser mag uitgaan.
5.4.
Nu eiser niet is geslaagd in de op hem rustende bewijslast, mag verweerder uitgaan van de juistheid van de informatie in EU-Vis. Verweerder mag er dus vanuit gaan dat eiser de Pakistaanse nationaliteit heeft.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:661.
2 Zie de uitspraak van de ABRvS van 6 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2270.
3 Zie voetnoot 2.
Over de problemen met de Taliban en de imam
6. Gelet op 5.4. stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning in verband met problemen die hij in Afghanistan heeft ondervonden.
Over de afvalligheid van de islam
7. Eiser voert aan dat verweerder zijn afvalligheid van de islam ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser was een niet-praktiserende moslim en hij had kritiek op de islam. Hij discussieerde met mensen over onderwerpen binnen de islam waarmee hij het niet eens was. Nadat hij afvallig is geworden, heeft hij rust gevonden van binnen omdat hij bevrijd is van de denkbeelden van de islam. Eiser heeft ook aangevoerd dat niet valt in te zien waarom verweerder de problemen met de imam wel geloofwaardig heeft geacht, maar de afvalligheid niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn afvalligheid van de islam niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat zijn gestelde afvalligheid hem niets heeft opgeleverd. Verweerder heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt hoe hij op basis van bepaalde gebeurtenissen - onder meer seksueel misbruik, overlijden grootvader, vader en oom en vermissing van broers - tot afvalligheid van de islam is gekomen. Verweerder heeft eisers verklaring dat hij naar aanleiding van deze gebeurtenissen op zoek is gegaan naar meer informatie over de islam, onvoldoende mogen vinden en heeft daaraan onder meer ten grondslag mogen leggen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de door hem gevonden informatie persoonlijk voor hem heeft betekend. Dat verweerder de problemen met de imam geloofwaardig heeft geacht, laat onverlet dat verweerder aan eiser heeft mogen tegenwerpen dat niet is gebleken van een diepgewortelde innerlijke overtuiging om afstand te nemen van de islam. Verweerder heeft ook aan eiser mogen tegenwerpen dat hij onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat er in zijn leven is veranderd na zijn afvalligheid. De verklaringen van eiser dat hij meer rust heeft gekregen en minder angst en zorgen heeft, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Verder heeft verweerder het standpunt mogen innemen dat eiser oppervlakkige verklaringen heeft afgelegd over de discussies die hij heeft gevoerd over onderwerpen binnen de islam waar eiser het niet mee eens is. Verweerder heeft daarbij ook mogen tegenwerpen dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij het risico heeft genomen om deze discussies te voeren, gelet op de gevaren die dit in Afghanistan met zich mee bracht.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Kersten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
01 november 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. J.G. Nicholson E. Kersten
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.