ECLI:NL:RBDHA:2021:16859

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 november 2021
Publicatiedatum
15 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.9419
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Gambia

Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege moeilijke sociaaleconomische omstandigheden en zorg voor zijn oma in Gambia. Hij stelde dat terugkeer zou leiden tot ernstige materiële deprivatie en schending van artikel 3 EVRM Pro.

De staatssecretaris erkende de identiteit van eiser, maar oordeelde dat de situatie in Gambia, ondanks armoede, niet zodanig onmenselijk is dat dit een vluchtelingenstatus rechtvaardigt. De economische situatie verbetert volgens de overheid en eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen mogelijkheden tot bestaan heeft bij terugkeer.

De rechtbank overwoog dat sociaaleconomische omstandigheden slechts in uitzonderlijke gevallen leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De aangehaalde bronnen bevestigen armoede, maar niet dat de overheid onmenselijk handelt of dat eiser een onaanvaardbaar risico loopt. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.9419
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.L. van Leer), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.E. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL21.9420, op 29 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen P.M. Diagine. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit en is geboren op [1999]. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Gambia altijd bij zijn oma heeft verbleven. Hij moest van jongs af aan werken en zorg dragen voor zijn oma, het eten en de huur. Het leven was zwaar voor hem vanwege de financiële en economische omstandigheden. Op een dag had hij geen eten en geen geld meer. Hij besloot toen zijn land te verlaten voor een beter leven.
Standpunt verweerder
2. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Volgens verweerder leidt het verhaal van eiser er echter niet toe dat hij als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag moet worden aangemerkt of dat hij bij terugkeer naar Gambia een reëel risico loopt op ernstige schade. Het feit dat de economische situatie in Gambia voor eiser mogelijk niet naar wenselijke maatstaven is, valt niet te zien als een actieve onmenselijke behandeling van eiser door de overheid van het land in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder overweegt verweerder dat de Gambiaanse economie groeiende is en de overheid stappen zet om de omstandigheden voor zijn
inwoners te verbeteren. Ook stelt verweerder dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat er voor hem bij terugkeer in Gambia geen mogelijkheden meer zijn om geld te verdienen.
Standpunt eiser
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Gambia wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Eiser loopt immers het risico om bij terugkeer naar Gambia in erbarmelijke humanitaire omstandigheden terecht te komen. Uit meerdere bronnen1 volgt dat Gambia een van de armste en minst ontwikkelde landen van de wereld is, en dat bijna 9,6% van de Gambianen onder de armoedegrens leeft. Door de coronapandemie is er nog meer sprake van een economische terugval. Eiser behoort tot de groep Gambianen die onder de armoedegrens leeft. Daarnaast wijst eiser er op dat de erbarmelijke omstandigheden direct te wijten zijn aan het handelen en nalaten van de Gambiaanse autoriteiten, omdat jarenlange beleidsvoering tot deze situatie heeft geleid. Ter onderbouwing van de stelling dat zulke erbarmelijke omstandigheden in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM kunnen zijn, verwijst eiser naar de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) M.S.S. t. België en Griekenland2 en Sufi en Elmi t. het Verenigd Koninkrijk.3
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt risico te lopen op schending van artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar Gambia. De reden dat eiser niet terug zegt te kunnen naar Gambia, is gelegen in sociaaleconomische en humanitaire omstandigheden. Dit kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot de conclusie dat er sprake is van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM, zoals ook uit de eerder genoemde arresten M.S.S. t. België en Griekenland en Sufi en Elmi t. het Verenigd Koninkrijk volgt. Eiser stelt onder de armoedegrens te leven in Gambia en geen toegang te hebben tot essentiële voorzieningen. De rechtbank ziet in de door eiser aangehaalde bronnen terug dat een behoorlijke groep mensen in Gambia onder de armoedegrens leeft. Eiser zou in Gambia dus in moeilijke omstandigheden terecht komen. Dit is op zichzelf echter onvoldoende om een schending van artikel 3 van Pro het EVRM aan te nemen. Dat kan anders zijn als de autoriteiten zich
1. Namelijk de Poverty and Equity Brief van de World Bank Group van oktober 2020, en het EASO Country of Origin information Report, The Gambia Country Focus, van december 2017.
2 EHRM 21 januari 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609).
3 EHRM 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907).
onverschillig tonen of een humanitaire noodsituatie in de hand werken. Uit de door eiser aangehaalde bronnen blijkt niet dat dat zo is. Verweerder heeft hierbij ook van belang mogen achten dat uit andere bronnen dan door eiser genoemd, volgt dat de overheid stappen zet om de omstandigheden voor de inwoners te verbeteren. Daarnaast krijgt Gambia sinds 2017, nadat de huidige president was gekozen, weer steun van het Internationaal Monetair Fonds, de Europese Unie en de Wereldbank. Verder heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser ook niet op grond van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat hij met een situatie van ernstige materiële deprivatie te maken krijgt die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Eiser heeft verklaard dat hij visser was in Gambia, maar dat hij zijn boot heeft verkocht voordat hij is vertrokken. Verweerder heeft echter mogen stellen dat dit hieruit niet kan worden afgeleid dat eiser geen enkele kans op werk maakt als hij naar Gambia zou terugkeren.
Conclusie
5. De rechtbank concludeert dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank begrijpt dat de omstandigheden voor eiser in Gambia moeilijk zijn en dat hij om die reden naar Nederland is gekomen. Vanwege de strenge voorwaarden die gelden voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, zijn deze omstandigheden echter onvoldoende om een vergunning te verlenen.
6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Ruizendaal - van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken bekendgemaakt op:
16 november 2021
en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
Mr. M.E.J. Sprakel L. van der Ruizendaal - van der
Rechter Veen
Rechtbank Midden-Nederland Griffier
Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.