ECLI:NL:RBDHA:2021:16886

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2021
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
NL21.17552
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 83.0a Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid herhaalde asielaanvraag wegens ontbreken nieuwe elementen

Eiser, van Libische nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend, waarvan de eerdere zijn afgewezen en deze besluiten in rechte vaststaan. Op 14 september 2020 diende eiser een herhaalde aanvraag in, stellende dat hij via zijn moeder tot de Warshefana-stam behoort en vreest voor ontvoering, moord of gedwongen militieparticipatie bij terugkeer in Libië.

Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat geen nieuwe relevante elementen waren aangevoerd. Eiser voerde in beroep aan dat hij tot een risicogroep behoort en verwees naar twee verklaringen ter onderbouwing.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit eerdere procedures is vastgesteld dat eiser tot de Al Jumail-stam behoort, een risicogroep, maar hij heeft onvoldoende onderbouwd dat hij ook tot de Warshefana-stam behoort. De overgelegde stukken ondersteunen deze stelling niet. Er is geen strijd met het motiverings- of zorgvuldigheidsbeginsel en er zijn geen bijzondere omstandigheden die toetsing als eerste aanvraag vereisen.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is mondeling gedaan op 25 november 2021.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de herhaalde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.17552
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: drs. J. Albarda).

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.17553, op 25 november 2021 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M.D.M. Metry. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1984] . Eiser heeft eerder drie aanvragen om een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen afgewezen. Deze besluiten staan in rechte vast.
3. Eiser heeft op 14 september 2020 onderhavige aanvraag asiel ingediend. Eiser stelt dat hij via de stamafkomst van zijn moeder behoort tot de Warshefana-stam en dat hij bij terugkomst in Libië ontvoerd of vermoord zal worden of dat hij zal moeten vechten bij een militie. Eiser doet een beroep op de brief van de staatssecretaris van 30 juni 2020 inzake het landenbeleid Libië en WBV 2020/15.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5. Eiser stelt in beroep dat hij via zijn moeder behoort tot de Warshefana-stam en dat deze stam behoort tot een risicogroep. Volgens eiser heeft verweerder gehandeld in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser in beroep twee stukken overgelegd. Dit betreft een verklaring van het Ministerie van Sociale Zaken en een verklaring van de mukhtar van de wijk van 4 november 2021.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen als bedoeld in artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Van belang is dat in de vorige asielprocedure in rechte is komen vast te staan dat eiser behoort tot de Al Jumail-stam en dat deze stam behoort tot een risicogroep. Tevens is in rechte komen vast te staan dat eiser niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging. Eiser heeft zijn stelling dat hij (ook) zou behoren tot de Warshefana-stam op geen enkele wijze onderbouwd. Ook niet met de door hem in beroep overlegde stukken. Uit deze verklaringen valt niet af te leiden dat deze betrekking hebben op de moeder van eiser en dat zij behoort tot de Warshefana-stam. Ook blijkt hieruit niet dat eiser tot deze stam behoort. Van strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is de rechtbank niet gebleken.
7. Evenmin zijn er bijzondere feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw die maken dat de rechtbank het bestreden besluit desondanks moet toetsen als ware het de afwijzing van eeneerste aanvraag.
8. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2021 door
mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
29 november 2021

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.