ECLI:NL:RBDHA:2021:16894
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van onvoldoende aannemelijkheid van genderidentiteit als asielmotief
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende persoon, heeft een asielaanvraag ingediend waarbij hij zich beroept op zijn genderidentiteit en seksuele geaardheid. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat het asielrelaas onvoldoende aannemelijk werd geacht en het een opvolgende aanvraag betrof.
De rechtbank behandelde het beroep en nam daarbij het rapport van LGBT Asylum Support en medische informatie in overweging. De rechtbank oordeelde dat de gehoormedewerker deskundig was en het gehoor overeenkomstig de werkinstructie had uitgevoerd. Wel vond de rechtbank dat eiser onvoldoende concreet inzicht gaf in zijn gevoelens over zijn transseksualiteit, bleef steken in stereotyperingen en gaf geen overtuigende verklaring waarom dit voor hem geen issue zou zijn.
Daarnaast vond de rechtbank het ongeloofwaardig dat eiser zijn genderidentiteit pas bij zijn derde asielaanvraag naar voren bracht, terwijl hij zich al twintig jaar vrouw voelt en al contact had met de lhbti-gemeenschap in Egypte. De medische informatie bestond enkel uit een eigen verklaring en maakte het asielrelaas niet aannemelijk.
Gelet op deze overwegingen concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bescherming behoeft op grond van zijn genderidentiteit. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende aannemelijkheid van de genderidentiteit als asielmotief.