Verzoekster, van Bosnische nationaliteit, had een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bij besluit van 15 oktober 2021 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Verzoekster stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 11 november 2021 samen met een gerelateerde zaak. Gezien de uitspraak in de bodemprocedure (zaaknummer NL21.16564) achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af.
Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 748,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, omdat de kosten voor rechtsbijstand door een derde beroepsmatig waren gemaakt.
De uitspraak werd gedaan op 1 december 2021 door mr. B. Fijnheer, voorzieningenrechter, en is onherroepelijk omdat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.