ECLI:NL:RBDHA:2021:16980
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning bij zoon wegens belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiseres, van Dominicaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland bij haar zoon, die zowel de Dominicaanse als Amerikaanse nationaliteit bezit en verblijfsrecht in Nederland heeft. De aanvraag werd afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, omdat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet in haar voordeel uitviel.
De rechtbank stelde vast dat er sprake was van een gezinsleven tussen eiseres en haar zoon, waardoor het weigeren van de verblijfsvergunning een inmenging in het recht op gezinsleven betekende. De belangenafweging door verweerder hield rekening met het feit dat eiseres een eigen inkomen heeft, rechtmatig in Nederland verbleef en enigszins geïntegreerd is. Aan de andere kant werd meegewogen dat er geen objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven in het buitenland voort te zetten, gezien de sterke banden met de Dominicaanse Republiek en de Verenigde Staten.
Eiseres voerde aan dat de uitzetting ook de uitzetting van haar zoon zou betekenen en dat beiden in Nederland geïntegreerd zijn, met medische behandeling voor haar zoon. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om een objectieve belemmering aan te nemen.
Daarnaast wees de rechtbank het beroep op het recht op privéleven, het IVRK en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie af, omdat deze aspecten reeds waren meegewogen in de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning bij de zoon wordt ongegrond verklaard.