Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Roemeense nationaliteit, werd op 7 december 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte de gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een eerder besluit dan de beschikking van 20 oktober 2021 en het ontbreken van een identiteitsbewijs.
De rechtbank oordeelde dat de zware grond 3c en de lichte gronden 4a en 4c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren. Eiser had de plicht om Nederland binnen 28 dagen te verlaten na de beschikking, maar had dit niet gedaan. Ook had hij geen nieuw identiteitsbewijs aangevraagd terwijl dit mogelijk was. De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat de gronden voor bewaring voldoende waren en het hulpverleningstraject onvoldoende was geconcretiseerd.
Verder werd vastgesteld dat het onderzoek aan het lichaam van eiser op grond van artikel 50a, tweede lid, een kennelijke verschrijving was, aangezien dit artikel niet van toepassing is op vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.