Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser/verzoeker
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [A] (referente).
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht om een verblijfsdocument als EU/EER-burger op basis van zijn relatie met een Belgische partner. Na eerdere afwijzingen is zijn aanvraag in 2020 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen wegens het vermoeden van een schijnrelatie. Dit vermoeden was gebaseerd op uiteenlopende, vage, tegenstrijdige en onware verklaringen van de partner over essentiële onderdelen van hun relatie en het dagelijks leven.
Eiser voerde aan dat deze verklaringen niet aan hem toegerekend mogen worden, dat hij bewijsnood had vanwege persoonlijke omstandigheden en covid-19 beperkingen, en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verklaringen van de partner mocht betrekken bij de besluitvorming, dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor bewijsnood, en dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar geen kans van slagen bood.
De rechtbank wees het beroep af en verwierp het verzoek om een voorlopige voorziening. Tevens werd het verzoek om vrijstelling van griffierecht toegewezen op grond van betalingsonmacht. De uitspraak bevestigt dat misbruik van het verblijfsrecht via schijnrelaties kan worden tegengegaan en dat de bewijslast hiervoor bij de overheid ligt.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard wegens schijnrelatie.