ECLI:NL:RBDHA:2021:17030
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenrechtelijke uitzettingszaak
In deze bestuursrechtelijke zaak betreffende vreemdelingenrecht heeft de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloten dat verzoekster en haar moeder Nederland en de Europese Unie binnen vier weken moeten verlaten en terugkeren naar Peru. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard, heeft verzoekster beroep ingesteld bij de rechtbank. Het verzoek om voorlopige voorziening werd vervolgens als zodanig tijdens het beroep behandeld. Op de zitting van 28 december 2021 verschenen verzoekster en haar gemachtigde niet, terwijl de gemachtigde van verweerder wel aanwezig was.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep (zaaknummer AWB 21/5783), waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig was. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in het hoofdberoep.