ECLI:NL:RBDHA:2021:17041
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familierechtelijke relatie en gezinsleven
Eiser, van onbekende nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn gestelde moeder, hierna 'referente'. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet had aangetoond en er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie of gezinsleven.
Eiser had medische verklaringen overgelegd, maar deze waren kopieën en boden onvoldoende bewijs van fysieke beperkingen of noodzakelijke zorg die alleen door referente kon worden geleverd. Bovendien woonde eiser sinds 2015 niet meer in gezinsverband met referente, wat duidt op zelfstandigheid.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand was gekomen en dat verweerder terecht had afgezien van het horen van eiser, omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of bewijsstukken bevatte die tot een ander besluit konden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.