ECLI:NL:RBDHA:2021:17041

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 december 2021
Publicatiedatum
2 september 2022
Zaaknummer
NL21.8841
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 28 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken familierechtelijke relatie en gezinsleven

Eiser, van onbekende nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid bij zijn gestelde moeder, hierna 'referente'. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet had aangetoond en er geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie of gezinsleven.

Eiser had medische verklaringen overgelegd, maar deze waren kopieën en boden onvoldoende bewijs van fysieke beperkingen of noodzakelijke zorg die alleen door referente kon worden geleverd. Bovendien woonde eiser sinds 2015 niet meer in gezinsverband met referente, wat duidt op zelfstandigheid.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand was gekomen en dat verweerder terecht had afgezien van het horen van eiser, omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of bewijsstukken bevatte die tot een ander besluit konden leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.8841

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R. Jonkman).

Procesverloop

In het besluit van 28 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij zijn gestelde moeder [referente] (referente)” afgewezen.
In het besluit van 11 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 7 december 2021 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is van onbekende nationaliteit en stelt te zijn geboren op [1981].
2. Eiser heeft op 3 december 2018 en op 16 januari 2020 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw). De aanvragen zijn niet-ontvankelijk verklaard dan wel buiten behandeling gesteld omdat eiser sinds 19 januari 2016 rechtmatig verblijf heeft in Roemenië.
3. Op 31 oktober 2019 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend voor het doel “verblijf als familie- of gezinslid bij referente” op grond van artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
Het bestreden besluit
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet heeft aangetoond. Verweerder heeft ook vastgesteld dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en referente. Er is volgens verweerder geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen eiser en referente. Daartoe overweegt verweerder dat de gestelde fysieke beperkingen van eiser niet zijn aangetoond, nu eiser alleen kopieën van medische verklaringen heeft overgelegd. Daarnaast is verweerder uit de medische documenten niet gebleken welke zorg eiser nodig heeft en of hij hierdoor niet zelfstandig kan functioneren en afhankelijk is van referente. Eiser woont namelijk al sinds 2015 niet meer in gezinsverband met referente en verweerder is niet gebleken dat eiser zich in de tussentijd niet staande heeft kunnen houden.

Gronden beroep

5. Eiser voert aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en geen stand kan houden. Verder voert eiser aan dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gehoord. Verweerder had door eiser te horen, een duidelijker beeld kunnen vormen over de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente.
Oordeel rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de familierechtelijke relatie met referente niet heeft aangetoond. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft bij zijn aanvraag en in bezwaar geen originele documenten overgelegd waaruit blijkt dat hij de biologische zoon is van referente. Hierdoor heeft verweerder kunnen concluderen dat eiser zijn familierechtelijke relatie met referente niet heeft aangetoond. Eiser heeft in bezwaar en in beroep hiertegen geen gronden ingediend.
7. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft kunnen concluderen dat geen familie- en gezinsleven bestaat tussen eiser en referente. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) [1] volgt dat verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen aanneemt als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen het meerderjarig kind en diens ouder(s). In de situatie van eiser heeft verweerder kunnen concluderen dat de overgelegde stukken niet aantonen dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat de overgelegde medische verklaringen kopieën zijn waardoor de echtheid van deze documenten niet vaststaat. Daarnaast heeft verweerder kunnen stellen dat uit de medische documenten niet blijkt dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Uit deze documenten blijkt niet welke medische zorg eiser nodig heeft en of deze zorg alleen door referente kan worden gegeven. Verder heeft verweerder kunnen stellen dat eiser al sinds 2015 niet meer in gezinsverband met referente samenwoont. Dit is een omstandigheid die duidt op de zelfstandigheid van eiser en niet op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. De afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente volgt niet uit de medische stukken en is verder niet onderbouwd. Ook heeft eiser de relatie met referente in beroep niet aannemelijk gemaakt met bewijsstukken.
8. De rechtbank overweegt verder dat verweerder van het horen heeft kunnen afzien. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan verweerder afzien van horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Verweerder heeft in het onderhavige geval in de gronden van bezwaar geen aanleiding hoeven zien om eiser en referente te horen. Eiser heeft in bezwaar namelijk geen onderbouwing gegeven van de gestelde familierechtelijke relatie met referente die had kunnen leiden tot een ander besluit. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Sari, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2019, ECLI:RVS:2019:1003.