ECLI:NL:RBDHA:2021:17130
Rechtbank Den Haag
- Proces-verbaal
- S. van Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens COVID-19 reisbeperkingen bevestigd
Eiser, van Armeense nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op drie gronden: twijfel over het voornemen van eiser om tijdig het Schengengebied te verlaten, onvoldoende financiële middelen en een bedreiging voor de volksgezondheid vanwege de COVID-19 pandemie.
De rechtbank toetste ex-tunc, dat wil zeggen op de situatie ten tijde van het bestreden besluit, en oordeelde dat de Staatssecretaris terecht de visumaanvraag afwees omdat eiser niet viel onder de uitzonderingscategorieën voor essentiële reizen tijdens de pandemie. De Regeling lange-afstandsrelaties was op dat moment opgeschort, waardoor een beroep daarop niet slaagde.
De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat de reisbeperkingen niet op eiser zouden worden toegepast. Omdat de grondslag van artikel 32, eerste lid, onder a), vi, van de Visumcode zelfstandig de afwijzing kon dragen, werden de overige gronden niet inhoudelijk behandeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege geldende COVID-19 reisbeperkingen.