Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Echtscheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 16 juni 2020 ingekomen verzoek van:
[naam01] ,
[naam02] ,
Procedure
- het verzoekschrift van de vrouw van 15 juni 2020;
- het verweerschrift van de man met zelfstandige verzoeken van 14 oktober 2020;
- het verweerschrift van de vrouw van 8 december 2020 tegen de zelfstandige verzoeken van de man van 14 oktober 2020, met nieuwe zelfstandige verzoeken;
- het F9-formulier van 11 januari 2021 van de man, met als bijlage het formulier verdelen en verrekenen;
- het verweerschrift van de man van 6 september 2021 tegen de zelfstandige verzoeken van de vrouw van 8 december 2020 met een gewijzigd verzoek;
- de brief van 17 september 2021 van de vrouw, met daarin gewijzigde verzoeken en bijlagen.
Feiten
- De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk01] 1997 te [plaats huwelijk01] .
- Zij zijn de ouders van de inmiddels meerderjarige kinderen:
- [naam03] , geboren op [geboortedatum01] 1997 in [geboorteplaats01] , Israël,
- [naam04] , geboren op [geboortedatum02] 1998 in [geboorteplaats02] , Palestijnse Autonome Gebieden.
- De man en de vrouw hebben de Nederlandse nationaliteit.
- Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, voor het laatst gewijzigd op 3 september 2010. De huwelijkse voorwaarden sluiten iedere gemeenschap van goederen uit en bepalen, voor zover hier van belang:
De vrouw een recht op uitbetaling zal verkrijgen jegens haar pensioenuitvoerder(s) ter grootte van éénhonderd procent (100%) en jegens de pensioenuitvoerder(s) van haar echtgenoot ter grootte van veertig procent (40%) over het totaal opgebouwde pensioen bij pensionering;
De man een recht op uitbetaling zal verkrijgen jegens zijn pensioenuitvoerder(s) ter grootte van zestig procent (60%) en jegens de pensioenuitvoerder(s) van zijn echtgenote nihil (0%);
Sub a en b zijn gebaseerd op de afspraak dat de periode waarover zal worden verevend niet zal zijn de huwelijkse periode maar de periode vanaf één januari negentienhonderd zessennegentig tot aan de pensionering van de man, ongeacht of de echtgenoten met elkaar zijn gehuwd.
Indien de man met pensioen gaat zal hij derhalve zijn pensioen verdelen voor hemzelf zestig procent (60%) en voor de vrouw veertig procent (40%).
“(…) een ‘redelijke voorziening’ is alleen aan de orde in geval van echtscheiding, waarvan thans geen sprake is (…).”
- Er is op 21 februari 2020 door de man een bedrag van $ 555.502,63 overgeboekt op een door de vrouw opgegeven bankrekening op haar naam bij de [pensioenfonds02] , welk bedrag op 22 februari 2020 door de vrouw is ontvangen.
- Op 21 februari 2020 stuurt de man een e-mail aan de vrouw waarin hij onder meer zegt:
Verzoeken
subsidiair:de in de beschikking van het gerechtshof [plaats hof01] van [datum03] 2016 genoemde billijke voorziening die zal moeten worden getroffen om de vrouw te compenseren voor de kans dat zij bij vooroverlijden van de man minder of geen partnerpensioen zal ontvangen, te bepalen op een het reeds door de man aan de vrouw betaalde bedrag van US$ 555.502,63, althans de voorziening te bepalen op een bedrag als de rechtbank juist acht;
Beoordeling
Alle vergoedingen met betrekking tot de kinderen (…) voor studiekosten, boardingof extra kosten in verband met handicap en dergelijke(…)’. De vrouw vond de verwijzing naar een handicap niet respectvol naar de dochter van partijen. Daarom is op haar verzoek de onderstreepte tekst veranderd in ‘
en andere extra kosten’. De vrouw heeft dat niet betwist. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat artikel 4.2 van de huwelijkse voorwaarden zo moet worden uitgelegd dat het ziet op vergoedingen voor onderwijs en andere specifieke kosten. Nu de Dependency Allowance een algemene toelage is, valt deze niet onder dit artikel. Haar stelling dat wel zo is heeft de vrouw gelet op de gemotiveerde betwisting van de man onvoldoende onderbouwd. De rechtbank wijst daarom het verzoek van de vrouw ten aanzien van de Dependency Allowance af.