ECLI:NL:RBDHA:2021:17326
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Beklag ongegrond verklaard tegen conservatoir beslag op pand wegens vermoedelijke verhaalsfrustratie
De rechtbank Den Haag behandelde het beklag van klagers tegen conservatoir beslag op een pand gelegen te Rotterdam, gelegd op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering. Klagers stelden dat zij de rechtmatige eigenaren zijn en dat het beslag onrechtmatig is, omdat het pand een privé-investering betreft en zij niets met strafbare feiten te maken hebben.
De officier van justitie voerde aan dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het pand feitelijk toebehoort aan een verdachte die wordt verdacht van handel in cocaïne en witwassen, en dat het pand aan klagers is toegekomen met het kennelijke doel de uitwinning te bemoeilijken. De rechtbank stelde vast dat klagers sinds april 2020 eigenaar zijn, maar dat de constructie van koop met uitgestelde levering en huur door de verdachte erop wijst dat het pand met het oog op verhaalsfrustratie aan klagers is toegekomen.
De rechtbank nam mee dat de verdachte niet in staat was de huurprijs te betalen op basis van zijn legale inkomen, dat de huurpenningen door dubieuze partijen werden voldaan en dat klagers als makelaars professioneel hadden moeten vermoeden dat deze constructie diende om schuldeisers te frustreren. Gezien deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beklag ongegrond en handhaafde het conservatoir beslag.
Uitkomst: Het beklag tegen het conservatoir beslag op het pand wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.