ECLI:NL:RBDHA:2021:17331
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verbod op overlevering aan Polen tijdens lopende asielprocedure
Eiser, een Poolse nationaliteit dragende persoon, verzocht de rechtbank om te voorkomen dat hij aan Polen wordt overgeleverd zolang er nog geen definitief besluit is genomen op zijn asielaanvraag in Nederland. Polen had meerdere Europees Aanhoudingsbevelen (EAB) uitgevaardigd wegens een strafrechtelijk onderzoek tegen eiser.
De rechtbank overweegt dat het recht om een asielprocedure in Nederland af te wachten niet absoluut is en dat op grond van artikel 3.1 lid 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel 9 van Pro Richtlijn 2013/32/EU een uitzondering geldt voor overlevering op basis van een EAB. De overleveringsrechter had reeds geoordeeld dat er geen zwaarwegende gronden zijn om overlevering te weigeren vanwege mogelijke schending van het recht op een eerlijk proces in Polen.
Eiser kon niet aannemelijk maken dat zijn overlevering zou leiden tot een schending van mensenrechten zoals bedoeld in het Vreemdelingenbesluit. Ook de door eiser aangevoerde detentieomstandigheden in Polen werden niet onderbouwd als zodanig dat dit een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 EU Pro Handvest zou opleveren.
De rechtbank concludeert dat de Staat niet onrechtmatig handelt door overlevering toe te staan en dat er geen reden is om de overlevering op te schorten in afwachting van de asielprocedure of een voorlopige voorziening. De vorderingen van eiser worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verbod op overlevering af en staat overlevering aan Polen toe ondanks de lopende asielprocedure.