Uitspraak
1.Inleiding
2.De procedure in raadkamer
5oktober 2021 in raadkamer behandeld en heeft kennis genomen van het dossier met bovengenoemd lurisnummer.
Rechtbank Den Haag
Naar aanleiding van een Europees Onderzoeksbevel (EOB) van de Franse autoriteiten is op 26 mei 2021 beslag gelegd op een contant geldbedrag van 14.100 euro in de woning van klaagster. Klaagster diende op 7 juni 2021 een beklag in bij de rechtbank Den Haag tot teruggave van het geld.
De rechtbank behandelde het beklag op 19 oktober 2021 en nam kennis van het dossier. De Franse autoriteiten verzochten om geheimhouding van het onderliggende onderzoek, waardoor het EOB en de onderliggende stukken niet aan klaagster zijn verstrekt. Zowel klaagster als de officier van justitie zijn gehoord.
De rechtbank oordeelde dat zij bevoegd was het beklag te behandelen en dat klaagster ontvankelijk was omdat het beklag tijdig was ingediend. De inhoudelijke toetsing richtte zich op de rechtmatigheid van het beslag en het voortduren daarvan. De rechtbank stelde vast dat het EOB rechtmatig was erkend en uitgevoerd, dat het beslag volgens Nederlands recht rechtmatig was gelegd en dat er geen weigeringsgronden bestonden.
Omdat de Franse autoriteiten niet hadden afgezien van het beslag en het geldbedrag in de woning was aangetroffen, bestond er een voortdurend belang van strafvordering. De rechtbank verklaarde het beklag daarom ongegrond. De overschrijding van de wettelijke termijn van dertig dagen voor de beschikking had geen gevolgen voor de beoordeling van het beklag.
Uitkomst: Het beklag tegen de inbeslagname van 14.100 euro contant geld wordt ongegrond verklaard en het beslag gehandhaafd.