Eiseres, sinds 2014 reservepersoneel bij de Koninklijke Landmacht, vroeg vergoeding van reiskosten en reistijd voor medische dienstreizen in de periode mei 2017 tot juli 2018. De aanvraag werd deels gehonoreerd, maar vergoeding van reiskosten en reistijd werd afgewezen omdat declaraties niet binnen 26 weken na de betreffende maand waren ingediend.
Eiseres voerde aan dat de termijnoverschrijding niet terecht was omdat zij niet adequaat was geïnformeerd over de declaratieprocedure en dat haar leidinggevenden positief hadden geadviseerd. Ook stelde zij dat de keuze voor fysiotherapie in Amsterdam gerechtvaardigd was.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing niet onredelijk was omdat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat de behandeling in Amsterdam medisch noodzakelijk was en dat de hardheidsclausule niet van toepassing was op haar situatie. Gezien haar aanstelling mocht van haar worden verwacht dat zij bekend was met de regelgeving. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.