Het college van burgemeester en wethouders van Leiden verleende vergunninghoudster een omgevingsvergunning voor de bouw van een appartementencomplex met 43 huurwoningen aan de [kade] te Leiden. Eiser 1 en eiser 2, omwonenden, stelden beroep in tegen de vergunning en de daaropvolgende besluiten die het bezwaar van eiser 1 ongegrond verklaarden en een aanvullend besluit dat een omissie corrigeerde.
De rechtbank oordeelde dat het eerste bestreden besluit, waarin de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd was, vernietigd moest worden. Het tweede bestreden besluit, dat de motivering aanvulde, werd echter als deugdelijk beoordeeld. De belangenafweging door verweerder werd als redelijk en zorgvuldig beschouwd, waarbij onder meer een bezonningsstudie en privacyaspecten werden betrokken.
De rechtbank verwierp de bezwaren van eisers over onder meer het verdwijnen van parkeerplaatsen, de breedte van de inrit en grondwaterproblematiek, en stelde dat de Crisis- en herstelwet niet van toepassing was. Het beroep van eiser 1 tegen het eerste besluit werd gegrond verklaard, terwijl de overige beroepen ongegrond bleven. Verweerder werd opgedragen het griffierecht aan eiser 1 te vergoeden.