Eisers reisden op 17 oktober 2019 met hun twee kleine kinderen van Den Haag Centraal naar Schiphol Airport om een vlucht naar Zurich te halen. De trein kwam stil te staan door een beschadigde bovenleiding veroorzaakt door een defect aan de stroomafnemer van een eerdere trein. Hierdoor ontstond een vertraging en moesten zij hun vlucht missen.
Eisers vorderden materiële schade voor nieuwe vliegtickets, eten en treinkaartje, en immateriële schade wegens lichamelijk en geestelijk letsel. NS voerde verweer en stelde dat de schade niet toewijsbaar was omdat de vertraging niet het gevolg was van opzet of bewuste roekeloosheid.
De kantonrechter oordeelde dat NS niet aansprakelijk was voor de vertragingsschade omdat de drempel van opzet of bewuste roekeloosheid niet werd gehaald. De materiële schade werd afgewezen behalve de restitutie van het treinkaartje. De immateriële schade werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende concrete onderbouwing van lichamelijk of geestelijk letsel.
De kantonrechter veroordeelde NS tot betaling van € 9,90 voor het treinkaartje en wees het overige af. Eisers werden veroordeeld in de proceskosten.