Eiser, een student BBL-opleiding verpleegkunde, vroeg een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor een stagefunctie bij een zorginstelling. De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag af vanwege veroordelingen van eiser voor bezit van hennep en afpersing, waarbij vooral de afpersing als risico voor de veiligheid van patiënten werd aangemerkt.
De rechtbank overwoog dat het objectieve criterium van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens inhoudt dat strafbare feiten die, indien herhaald, een belemmering vormen voor de functie, leiden tot weigering van de VOG. De rechtbank vond het standpunt van verweerder dat de afpersing een risico vormt voor de veiligheid en het welzijn van patiënten redelijk.
Eiser stelde dat het beleid geen onderscheid maakt tussen studenten en werkenden en dat zijn recht op onderwijs wordt geschaad. De rechtbank oordeelde dat het niet onredelijk is dat voor de stage dezelfde eisen gelden als voor werk, omdat de stagewerkzaamheden vergelijkbaar zijn met latere werkzaamheden.
Ten aanzien van het subjectieve criterium oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht het recente tijdsverloop, het aantal antecedenten en de zwaarte van de straf heeft meegewogen. De belangenafweging viel in het nadeel van eiser uit, omdat het belang van de samenleving bij bescherming zwaarder weegt dan het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling is niet toegewezen.