ECLI:NL:RBDHA:2021:2065
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, vroeg een visum voor kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet aannemelijk had gemaakt en er redelijke twijfel bestond over zijn terugkeer naar Marokko.
De rechtbank toetste of de Minister terecht de aanvraag kon afwijzen op grond van artikel 32 van Pro de Visumcode, waarbij de sociale en economische binding met het land van herkomst een belangrijke rol speelt. Eiser slaagde er niet in voldoende sociale binding aan te tonen, mede omdat hij ongehuwd is, geen gezin heeft, en geen bewijs leverde van zorgplicht voor hulpbehoevende familieleden.
Evenmin kon eiser een substantiële economische binding aantonen. De overgelegde documenten, zoals een pachtovereenkomst en bankafschriften, boden onvoldoende bewijs van een regelmatig inkomen. De herkomst van een groot bedrag op zijn bankrekening was onduidelijk en niet in verhouding tot zijn opgegeven inkomsten.
De rechtbank concludeerde dat de Minister terecht twijfelde aan het voornemen van eiser om tijdig terug te keren en dat het bezwaar terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Marokko.