ECLI:NL:RBDHA:2021:2070
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoeken voorlopige voorziening in asielzaken na beslissing op beroepen
Verzoekers hebben bij afzonderlijke besluiten van 4 februari 2021 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werden verklaard. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd.
De voorzieningenrechter heeft op 3 maart 2021 samen met gerelateerde zaken de verzoeken behandeld. Omdat inmiddels op de beroepen zelf uitspraak is gedaan (zaaknummers NL21.2095, NL21.2097 en NL21.2099), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst deze af.
Wel veroordeelt de voorzieningenrechter de Staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan verzoekers, vastgesteld op €534,-, wegens samenhang van de zaken en op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De proceskostenvergoeding wordt betaald aan de rechtsbijstandverlener omdat aan verzoekers een toevoeging is verleend.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.M.J. Adriaansen en griffier A.J. Eertink, uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen en de Staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €534,-.