ECLI:NL:RBDHA:2021:2149
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontucht met minderjarige cliënt
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige cliënt in de periode januari 2015 tot juni 2016. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van 27 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak vorderde vanwege gebrek aan bewijs.
Tijdens de zittingen werden verklaringen van het slachtoffer en enkele getuigen gehoord. Het slachtoffer verklaarde een seksuele relatie te hebben gehad met verdachte, ondersteund door WhatsApp-gesprekken die een nauwe band aantonen. Echter, de getuigen konden geen directe waarnemingen bevestigen en hun verklaringen waren gebaseerd op informatie van het slachtoffer zelf.
De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer onvoldoende werden ondersteund door ander bewijs, zoals vereist op grond van artikel 342 lid 2 Sv Pro. De WhatsApp-berichten bevestigden geen seksuele relatie. De verdachte ontkende de ten laste gelegde feiten. Gezien het ontbreken van voldoende steunbewijs sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €12.000, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege de vrijspraak. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten van de verdediging van verdachte, tot op heden nihil.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontucht met minderjarige.