Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
geboren op [2014], van Belgische nationaliteit,eiseres 1/verzoekster 1,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft het beroep van een moeder en haar twee kinderen tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de Afsluitingsregeling langdurig verblijvende kinderen. De afwijzing is gebaseerd op het feit dat twee van de kinderen de Belgische nationaliteit bezitten, wat een contra-indicatie vormt voor het verlenen van de vergunning.
De rechtbank overweegt dat de moeder en haar kinderen gezamenlijk als gezin worden beoordeeld, waarbij een contra-indicatie voor één gezinslid leidt tot afwijzing voor het hele gezin. Hierdoor kan de moeder geen vergunning krijgen ondanks dat zij zelf niet over een contra-indicatie beschikt. De rechtbank gaat niet in op de vraag of de moeder vrijstelling van het mvv-vereiste had moeten krijgen wegens artikel 8 EVRM Pro.
Verder oordeelt de rechtbank dat het horen in bezwaar terecht is achterwege gelaten omdat het bezwaar geen kans van slagen had. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de moeder en kinderen worden vrijgesteld van griffierecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege contra-indicatie door Belgische nationaliteit van twee kinderen.