Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met een originele dreigbrief van de Taliban als nieuw bewijs. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling omdat de originele brief nog niet door het Bureau Documenten was ontvangen, mede door vertraging bij de douane door COVID-19.
Verweerder vond dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht om de brief tijdig te laten bezorgen en gaf slechts een korte reactietermijn. Eiser betoogde dat de vertraging buiten zijn invloedssfeer lag en dat verweerder ten onrechte geen redelijke termijn had verleend om overmacht aan te tonen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de aanvraag ten onrechte buiten behandeling had gesteld. De situatie van eiser week af van de jurisprudentie waarop verweerder zich baseerde, en eiser had geen kennis van de vertraging op het moment dat verweerder dat stelde. Verweerder had eiser meer tijd moeten geven om overmacht aan te tonen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.068,-.