Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2021:2352

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 maart 2021
Publicatiedatum
15 maart 2021
Zaaknummer
NL20.15953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 6:20 Algemene wet bestuursrechtHandvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens gebrek aan nieuwe elementen ongegrond

Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende asielzoeker, stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag en tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000. De staatssecretaris oordeelde dat het een opvolgende aanvraag betrof zonder nieuwe relevante elementen, waarbij met name de homoseksuele geaardheid van eiser niet aannemelijk werd geacht.

Tijdens de zitting voerde eiser aan dat hij zich door culturele achtergrond niet vrij voelde zijn seksuele geaardheid te openbaren en overhandigde nieuwe bewijsstukken zoals bezoeken aan een gay sauna, browsergeschiedenis en verklaringen van derden en behandelaars. De rechtbank oordeelde dat deze elementen onvoldoende nieuw en relevant waren om tot een andere beslissing te komen dan het eerdere besluit, mede omdat de bezoeken aan de sauna reeds in de vorige procedure aan de orde waren en de verklaringen van derden herhalingen waren van eerdere inconsistenties.

De rechtbank verwierp ook het betoog dat verweerder onvoldoende had doorgevraagd en dat een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling had moeten plaatsvinden. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het procesbelang was komen te vervallen. Het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van nieuwe relevante elementen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.15953

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Oba).

Procesverloop

Op 24 augustus 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door verweerder.
Bij besluit van 3 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure alsnog niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij bericht van 18 december 2020 heeft eiser aangegeven het beroep te willen handhaven.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.22227, plaatsgevonden op 22 februari 2021. Het verslag van het gehoor van 7 november 22929 met de correcties en aanvullingen zijn ook toegevoegd aan het dossier NL20.15953 in deze zaak. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N.A.L. Wandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat verweerder na het beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog een inhoudelijk beslissing heeft genomen, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat zich richt tegen het niet tijdig beslissen. Een dergelijk belang heeft eiser niet gesteld en is evenmin gebleken. Nu met het bestreden besluit het (proces)belang bij het ingestelde beroep aldus is komen te vervallen, zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar ook betrekking op het bestreden besluit. Daarom zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit hierna behandelen en beoordelen.
2. Eiser heeft de Egyptische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1971. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 8 mei 2017 afgewezen. Bij uitspraak van 9 juni 2017 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, (NL17.2300) [1] het beroep hiertegen ongegrond verklaard. Met de bevestiging van deze uitspraak in het hoger beroep staat het besluit in rechte vast.
3. Op 26 september 2018 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het bestreden besluit. Verweerder heeft die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd of waarin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Hij heeft dit gedaan onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 8 mei 2017 waarin de gestelde homoseksualiteit van eiser niet geloofwaardig is geacht. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd en de stukken niet op een zorgvuldige wijze heeft betrokken. Eiser heeft ter zitting benadrukt dat hij zich vanuit zijn culturele achtergrond niet vrij voelde om open te zijn over zijn homoseksuele geaardheid. Eiser heeft verder betoogd dat zijn achtergrond en persoonlijke omstandigheden niet voldoende zijn meegenomen in de besluitvorming van verweerder. Als nieuwe elementen of bevindingen heeft hij stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2019 meerdere malen de ‘Gay Sauna Amsterdam’ heeft bezocht, alsmede browsergeschiedenis, verklaringen van derden en verklaringen van behandelaars. De bezoeken aan de sauna dragen volgens eiser bij aan de overtuiging dat hij homoseksueel is. Dat eiser in de vorige procedure reeds sauna’s bezocht, doet hier niet aan af, omdat de bezoeken aan deze sauna hebben plaatsgevonden na de eerdere beschikking en dus nieuw zijn. Om dezelfde reden had verweerder de browsergeschiedenis moeten betrekken. Uit de verklaringen van derden volgt dat eiser een consistent relaas heeft en de verklaringen bevestigen dat hij homoseksueel is. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet de persoonlijkheid van eiser heeft betrokken, namelijk dat hij een beperkt verstandelijk vermogen heeft en kampt met psychotische problematiek zoals volgt uit de verklaringen van behandelaars.
5. De rechter toetst aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of verweerder de aanvraag niet ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759). Nieuwe elementen of bevindingen zijn feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en dus moesten worden aangevoerd. Daaronder vallen ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van dat eerdere besluit konden en dus moesten worden overgelegd. De elementen of bevindingen moeten tevens relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
6. Eiser heeft ten eerste naar voren gebracht dat een procedure waarin de feiten vaststelling enkel voorbehouden is aan verweerder, strijdig is met het recht op asiel zoals geborgd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Eiser heeft zijn stelling echter niet nader onderbouwd of verder gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt om die reden niet.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid de saunabezoeken, het benoemen van de naam van de sauna en de browsergeschiedenis niet als relevante en nieuwe elementen heeft aangemerkt, omdat de elementen niet tot een andere beslissing dan het eerdere besluit zouden kunnen leiden. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn saunabezoeken nader gemotiveerd met pinbetalingen en het benoemen van de naam van de sauna. Het in deze procedure nader onderbouwen van de saunabezoeken heeft verweerder in redelijkheid onvoldoende mogen achten om tot een andere beslissing te komen over de gestelde homoseksualiteit. In de vorige procedure is immers geloofwaardig geacht dat eiser naar de sauna ging, maar deze omstandigheid was volgens verweerder onvoldoende om eisers homoseksuele geaardheid geloofwaardig te achten. Verweerder heeft in de voorgaande procedure uitvoerig gemotiveerd dat
niet alleenhet niet weten van de naam van de sauna dragend is voor de motivering dat eiser vaag en summier heeft verklaard over de positie van homoseksuelen in Nederland; dit onderdeel is door verweerder meegenomen
in samenhangmet een gebrek aan kennis van homo-ontmoetingsplaatsen en LHBT-organisaties in Nederland. Omtrent de browsergeschiedenis volgt de rechtbank de motivering van verweerder dat het voor eenieder mogelijk is pornografisch getinte websites te bezoeken en dat dit element onvoldoende zegt over de geaardheid van eiser.
8. De verklaringen van derden heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet als relevant en nieuw element aangemerkt. De verklaringen zijn enkel herhalingen van eisers eigen verklaringen in de vorige procedure, namelijk dat hij homoseksueel is en vreest te worden teruggestuurd naar Egypte. Verweerder heeft om die reden de verklaringen onvoldoende mogen achten om afbreuk te doen aan de wisselende en inconsistente verklaringen in de vorige procedure. Gelet op de in rechte vaststaande ongeloofwaardigheid van het asielrelaas kan aan de verklaringen niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Ook de stelling dat uit de verklaringen volgt dat eiser een consistent verhaal vertelt, is onvoldoende.
9. Voor zover eiser betoogt dat de elementen door verweerder hadden moeten worden betrokken enkel omdat ze van na het eerdere besluit zijn, volgt de rechtbank dit niet. Nieuwe elementen of bevindingen moeten kunnen leiden tot een andere beslissing dan het eerdere besluit. Daar is in dit geval geen sprake van.
10. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in het gehoor onvoldoende heeft doorgevraagd. De rechtbank overweegt dat eiser in de eerste procedure uitgebreid over zijn homoseksuele gerichtheid is bevraagd. Verweerder heeft eisers gestelde homoseksualiteit op grond van deze verklaringen ongeloofwaardig geacht, welke conclusie in rechte is komen vast te staan. Bij deze opvolgende aanvraag is het aan eiser om zijn homoseksuele geaardheid met nieuwe elementen en bevindingen te onderbouwen. Het ligt dus niet op de weg van verweerder om eiser opnieuw uitgebreid over zijn gestelde homoseksuele geaardheid te bevragen, maar op de weg van eiser om over de door hem gestelde nieuwe elementen en bevindingen overtuigende verklaringen af te leggen. Ook volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat verweerder in strijd met de werkinstructie heeft gehandeld door geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling uit te voeren. Uit de werkinstructie volgt niet dat een (nieuwe) integrale geloofwaardigheidsbeoordeling moet plaatsvinden in opvolgende aanvragen waar geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen, zoals onderhavige.De beroepsgrond slaagt niet.
11. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid vanmr. N.Y. Majoor, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.