Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de kinderrechter
Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2006 te [geboorteplaats] ,
Rechtbank Den Haag
De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor zes maanden. De minderjarige verbleef feitelijk bij zijn ouders en was onder toezicht gesteld tot augustus 2021. Na beëindiging van een eerdere plaatsing werd intensieve hulpverlening thuis ingezet, maar de ontwikkelingsbedreigingen namen toe, mede door omgang met deviante jongeren en gebruik van softdrugs.
De ouders en de minderjarige voerden verweer tegen het verzoek, stellende dat er geen sprake was van onttrekking aan hulp en dat de situatie verbeterde. De kinderrechter nam kennis van het dossier, de verklaringen en het verweer, en constateerde dat hoewel de bedreigingen ernstig zijn, er positieve ontwikkelingen waren en de minderjarige gemotiveerd was voor onderwijs en behandeling.
De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke gronden voor uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie onvoldoende aanwezig waren. Er was sprake van een vooringenomen houding van de politie en suggestieve mededelingen in het verzoek. De minderjarige en ouders kregen de kans om te laten zien dat een gesloten plaatsing niet nodig is, mits goede monitoring plaatsvindt. Het verzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Verzoek tot machtiging uithuisplaatsing in gesloten jeugdhulp wordt afgewezen wegens onvoldoende gronden en positieve ontwikkelingen.