ECLI:NL:RBDHA:2021:2393
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met Egypte
Eiser, een Egyptische nationaliteit bezittende persoon, verzocht om een visum voor kort verblijf om Nederland te bezoeken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af op grond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode, omdat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Egypte.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een regelmatig en substantieel inkomen uit arbeid in Egypte geniet. De overgelegde werkgeversverklaring en bankafschriften boden onvoldoende bewijs van daadwerkelijke inkomsten. Daarnaast was de sociale binding met Egypte gering, omdat eiser ongehuwd is, geen gezin heeft waarvoor hij verantwoordelijk is, en geen zorg draagt voor directe familieleden.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat familieleden eerder wel een visum hadden gekregen, werd verworpen omdat iedere aanvraag op eigen merites moet worden beoordeeld en eiser dit niet met stukken onderbouwde.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd dat er redelijke twijfel bestond over het voornemen van eiser om Nederland tijdig te verlaten, en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard.