Eiser, van Chinese nationaliteit, vreesde ernstige schade bij terugkeer naar China vanwege zijn politieke overtuigingen en activiteiten, waaronder deelname aan anticommunistische organisaties en demonstraties. Verweerder wees de asielaanvraag af als kennelijk ongegrond, stellende dat eiser niet aannemelijk had gemaakt in de negatieve belangstelling van de Chinese autoriteiten te staan.
De rechtbank onderzocht de geloofwaardigheid van het asielrelaas en oordeelde dat verweerder de relevante elementen, zoals onttrekking aan het reisgezelschap en politieke activiteiten, weliswaar geloofwaardig achtte, maar onvoldoende had gemotiveerd waarom deze niet zouden leiden tot een reëel risico op ernstige schade. Tevens werd vastgesteld dat de termijn voor de afhandeling van de asielprocedure conform de wet was verlengd.
De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser niet in de negatieve belangstelling van China zou komen bij terugkeer, mede gelet op het ambtsbericht over China en jurisprudentie over buitenlandse activisten. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten.