De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor het verbouwen van een pand tot 24 appartementen, waarbij eisers bezwaar maakten tegen de vergunning vanwege strijd met het bestemmingsplan en aantasting van hun woon- en leefklimaat.
De rechtbank oordeelt dat de functiewijziging van groepswoningen voor verslaafden naar appartementen niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat leegstand wordt voorkomen en de woonfunctie passend is in de omgeving. Wel is de rechtbank van oordeel dat het besluit om af te wijken van de parkeernormen onvoldoende is gemotiveerd, met name de keuze voor een parkeernorm van 0,36 per groepswoning in de oude situatie in plaats van de norm van 0,3 uit de Nota parkeernormen.
Hierdoor is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en niet voldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit voor zover het de parkeernormen betreft en draagt het college op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eisers toegewezen.