Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het incident tot tussenkomst, subsidiair tot voeging
3.De feiten
“behoort tot de economisch meest voordelige inschrijvingen”en dat de Gemeente voornemens is de opdracht aan [de B.V.] te gunnen.
Rechtbank Den Haag
De gemeente Den Haag hield een Europese openbare aanbesteding voor een raamovereenkomst asfaltwerken, waarbij de geschiktheidseis 4.4.2.3 technische bekwaamheid voorschreef dat inschrijvers of hun onderaannemers moesten voldoen aan de HTM Erkenningsregeling voor werkzaamheden in of nabij spoorzones. [de B.V.] deed een beroep op een onderaannemer die niet op deze erkenningslijst stond, waarna de gemeente de voorlopige gunningsbeslissing aan [de B.V.] introk en de opdracht voorlopig aan BAM gunde.
[de B.V.] stelde dat de gemeente de erkenningsregeling onterecht toepaste, omdat deze regeling niet van toepassing is op deze niet-gespecialiseerde opdracht en bovendien in strijd is met aanbestedingsrechtelijke beginselen zoals gelijke behandeling, transparantie en proportionaliteit. De rechtbank oordeelde dat de aanbestedingsstukken duidelijk maakten dat de erkenningsregeling als geschiktheidseis gold, maar dat het gebruik van deze regeling op indirecte wijze en in deze niet-gespecialiseerde opdracht leidt tot een onwenselijke beperking van mededinging.
De rechtbank verwierp het verweer van de gemeente en BAM dat [de B.V.] haar klachten had verwerkt en stelde dat de erkenningsregeling niet passend is voor deze opdracht. De aanbesteding kan daarom niet op de ingezette wijze doorgaan. De rechtbank wees de vorderingen van [de B.V.] tot gunning af, maar beval de gemeente de gunningsbeslissing aan BAM binnen 48 uur in te trekken. Zowel BAM als de gemeente werden veroordeeld in de proceskosten van [de B.V.].
Uitkomst: De gemeente moet de gunningsbeslissing aan BAM intrekken omdat de toepassing van de HTM Erkenningsregeling onrechtmatig is, en de aanbesteding kan niet worden voortgezet zoals opgezet.