ECLI:NL:RBDHA:2021:2716
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot strafoverdracht van Noorwegen naar Nederland wegens beleidsvrijheid minister
De gedetineerde, met de Nederlandse nationaliteit, was eerder overgebracht vanuit Frankrijk naar Nederland om een straf uit te zitten. Na een veroordeling in Noorwegen tot 18 jaar gevangenisstraf, vroeg hij overdracht van zijn straf naar Nederland op grond van de WOTS en het VOGP. De minister weigerde dit verzoek op basis van beleidsvrijheid, waarbij herhaalde overbrengingen slechts bij bijzondere omstandigheden worden toegestaan.
De rechtbank bevestigt dat de minister een ruime beleidsvrijheid heeft en dat het VOGP geen afdwingbaar recht op overbrenging geeft. Het beleid is erop gericht recidive, vooral bij drugsdelicten, tegen te gaan door slechts één keer overbrenging toe te staan tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen.
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden van de gedetineerde, zoals zijn leeftijd, familiebanden en eerdere korte detentie in Nederland, geen bijzondere omstandigheden vormen die een tweede overbrenging rechtvaardigen. Ook het argument dat de WETS een tweede overbrenging wel toestaat binnen de EU wordt verworpen, omdat Noorwegen geen lid is van de EU.
De vordering wordt afgewezen en de gedetineerde wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de Staat.
Uitkomst: Het verzoek tot strafoverdracht van Noorwegen naar Nederland wordt afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.