ECLI:NL:RBDHA:2021:2725
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens twijfel aan identiteit bij AVG-verwijderingsverzoek
Eiser verzocht op grond van artikel 17 AVG Pro om verwijdering van zijn persoonsgegevens en overlegde daarbij een kopie van zijn identiteitsbewijs en een volmacht. Verweerder verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk omdat eiser niet voldoende was geïdentificeerd. Bij het bestreden besluit werd het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser stelde dat hij zich niet hoefde te identificeren tenzij verweerder twijfelde aan zijn identiteit, en dat er geen twijfel bestond. De rechtbank constateerde een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat verweerder niet had toegelicht waarom de kopie van het identiteitsbewijs onvoldoende was.
Toch passeerde de rechtbank dit gebrek op grond van artikel 6:22 Awb Pro, omdat verweerder in het verweerschrift en ter zitting aannemelijk maakte dat de handtekeningen op de kopie en de volmacht afweken, en dat ook eerdere handtekeningen verschilden. Hierdoor bestond een redelijke twijfel over de identiteit van eiser, waardoor het verzoek terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan eiser werd vergoed. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens twijfel aan de identiteit van eiser ondanks overgelegde kopie van het identiteitsbewijs.