ECLI:NL:RBDHA:2021:2914
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende bewijs van zorg- en afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Iraakse staatsburger, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn minderjarige kinderen en echtgenote met de Nederlandse nationaliteit te kunnen verblijven. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eiser onvoldoende bewijs leverde dat hij substantiële zorg- en opvoedingstaken verricht en dat er een bijzondere afhankelijkheidsrelatie bestaat zoals vereist op grond van het arrest Chavez-Vilchez en paragraaf B10/2.2 van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 20 VWEU Pro het verblijfsrecht van een derde-lander die zorg draagt voor minderjarige EU-burgers beschermd moet worden, mits een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat weigering van verblijf het kind zou dwingen de EU te verlaten. De overgelegde bewijsstukken, waaronder foto’s, een weekschema en summiere verklaringen, werden door de rechtbank onvoldoende geacht om deze afhankelijkheidsrelatie aan te tonen. De rechtbank stelde vast dat verweerder voldoende duidelijk had gemaakt welke aanvullende stukken nodig waren en dat eiser geen geslaagd beroep deed op schending van de hoorplicht.
Partijen bespraken tijdens de zitting dat voor een succesvolle aanvraag meer objectieve bewijsstukken vereist zijn, zoals verklaringen van bezoeken aan tandarts of consultatiebureau en nadere toelichting bij foto’s en visa. Gezien het ontbreken van voldoende bewijs verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.