ECLI:NL:RBDHA:2021:2916
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens ontbreken meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 1953, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland op grond van het recht op familieleven zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Haar aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen, omdat niet was aangetoond dat zij een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met haar meerderjarige zoon in Nederland had.
De rechtbank stelde vast dat de zoon van eiseres zelfstandig in Nederland woont en werkt, en dat eiseres onvoldoende bewijs leverde dat zij exclusief afhankelijk is van haar zoon voor zorg. Ook werd overwogen dat eiseres onvoldoende banden met Nederland heeft opgebouwd om een recht op privéleven te onderbouwen. Het beroep op het arrest Jeunesse werd afgewezen wegens niet vergelijkbare omstandigheden.
Verder werd het BMA-advies betrokken bij de beoordeling van de medische situatie van eiseres. De rechtbank oordeelde dat dit advies zorgvuldig en inzichtelijk was en dat eiseres geen concrete tegenbewijsstukken had aangeleverd om dit te betwisten. Er was geen medische noodsituatie die uitstel van vertrek rechtvaardigde.
Tot slot werd geoordeeld dat het afzien van een hoorzitting op bezwaar terecht was, omdat redelijkerwijs geen andersluidend besluit te verwachten was. De rechtbank concludeerde dat het besluit van de Staatssecretaris niet in strijd was met het zorgvuldigheids-, vertrouwens- en motiveringsbeginsel en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar verblijfsvergunning bevestigd.