AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen vaststelling buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet 2016-2017
Eiser, woonachtig in Frankrijk en gerechtigd op medische zorg in Frankrijk op grond van de Verordening (EG) 883/2004, maakte bezwaar tegen de door het CAK vastgestelde buitenlandbijdragen voor de jaren 2016 en 2017. Verweerder had bij besluiten van 7 oktober 2019 de definitieve jaarafrekeningen vastgesteld en de buitenlandbijdrage berekend volgens de wettelijke systematiek.
De rechtbank overwoog dat de berekeningen van verweerder gebaseerd waren op de juiste wettelijke grondslagen, waaronder artikel 24 enPro 30 van Vo 883/2004, artikel 69 ZvwPro en de Regeling zorgverzekering. De woonlandfactor, die de verhouding tussen de gemiddelde zorgkosten in Frankrijk en Nederland weergeeft, was correct toegepast. Eiser stelde dat de berekeningen onjuist waren, maar onderbouwde dit niet.
Daarnaast wees de rechtbank het betoog van eiser af dat de inhoudingen door de Belastingdienst in de berekeningen meegewogen hadden moeten worden, aangezien verweerder alleen rekening hoeft te houden met aan hem afgedragen bedragen. De rechtbank benadrukte dat zij slechts de rechtmatigheid van het besluit toetst en niet de rechtvaardigheid van de systematiek.
Gelet op de juiste toepassing van de voorgeschreven systematiek en het ontbreken van onderbouwing van eiser, verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vaststelling van de buitenlandbijdrage Zvw over 2016 en 2017 wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2932 ZVW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2021 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , Frankrijk, eiser,
en
het Centraal Administratiekantoor (CAK), verweerder
(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2019 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2016 van eiser vastgesteld en de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het zorgjaar 2016 vastgesteld op € 608,54, welk bedrag eiser nog in zijn geheel moet voldoen.
Bij besluit van 7 oktober 2019 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening 2017 van eiser vastgesteld en de buitenlandbijdrage ingevolge de Zorgverzekeringswet (Zvw) over het zorgjaar 2017 vastgesteld op € 2.788,95, waarvan eiser in verband met reeds ingehouden bedragen nog € 656,51 moet betalen.
Bij besluit van 6 maart 2020 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 1 ongegrond verklaard.
Bij besluit van eveneens 6 maart 2020 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen primair besluit 2 ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting verder achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Vanaf 1 januari 2017 oefent het CAK in zaken als die van eiser de bevoegdheden uit die voorheen door Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend en daarvóór door het College voor Zorgverzekeringen (CvZ). In deze uitspraak wordt onder CAK ook verstaan Zorginstituut Nederland, dan wel het CvZ.
2. Eiser is geboren op 30 november 1950, heeft de Nederlands nationaliteit en woont sinds oktober 2016 in Frankrijk. Hij ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een aanvullend pensioen van de Stichting bedrijfspensioenfonds voor de groothandel in levensmiddelen en van het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro.
3. Op grond hiervan is eiser als verdragsgerechtigde in de zin van artikel 24 vanPro de Verordening (EG) 883/2004 (Vo 883/2004) aangemerkt en heeft hij recht op medische zorg in Frankrijk, ten laste van Nederland. De verzekeringsinstelling in Frankrijk (Caisse Primaire du Puy de Dome (CPAM) heeft door middel van het formulier E-121 bevestigd dat eiser recht heeft op medische zorg in Frankrijk.
1.4
Bij besluit van 28 augustus 2017 heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening voor het zorgjaar 2016 vastgesteld en de buitenlandbijdrage bepaald op € 608,54, welk bedrag nog in zijn geheel moet worden betaald. De bijdrage is berekend over de periode van 4 oktober 2016 tot en met 31 december 2016. Bij besluit van 22 augustus 2018 heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening voor het zorgjaar 2017 vastgesteld (berekend over dat hele kalenderjaar) en de buitenlandbijdrage bepaald op € 2.908,38, waarvan € 2.132,44 op het inkomen is ingehouden zodat eiser nog € 775,94 moet betalen.
1.5
Bij besluiten van 7 oktober 2019 (de primaire besluiten) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening over 2016 en 2017 vastgesteld zoals hiervoor onder “procesverloop” is aangegeven.
2. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren die eiser had ingediend tegen de beide primaire besluiten, ongegrond verklaard.
3. Wat eiser in beroep aanvoert komt hierop neer dat de door verweerder gemaakte berekeningen niet juist zijn. De omstandigheid dat niet alle verschuldigde bedragen door verweerder worden ontvangen kan niet voor zijn rekening komen, aldus eiser.
4. De rechtbank overweegt het volgende.
4.1
Op dit beroep zijn de Vo 883/2004, de Zvw en de Regeling zorgverzekering van toepassing.
4.2
Ingevolge artikel 24 vanPro Vo 883/2004 heeft een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere lidstaat van de Europese Unie is gaan wonen, recht op medische zorg in het woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg.
4.3
Ingevolge artikel 30 vanPro Vo 883/2004 mag vervolgens het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland.
4.4
Ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een zogeheten buitenlandbijdrage verschuldigd. De wijze waarop die bijdrage wordt berekend, is neergelegd in artikel 6.3.1 tot en met 6.3.4 van de Regeling zorgverzekering (hierna: de Regeling). Eiser heeft recht op volledige Franse gezondheidszorg (het “woonlandpakket”). Nederland betaalt daarvoor geld aan Frankrijk. Die Nederlandse betalingen aan Frankrijk worden deels bekostigd uit de Zvw-buitenlandbijdrages. Dit alles is vastgelegd in de Zvw.
4.5
In artikel 6.3.1, eerste lid van de Regeling is vastgelegd hoe de buitenlandbijdrage wordt berekend. De hoogte van de verschuldigde bijdrage wordt vastgesteld door de berekeningsgrondslag te vermenigvuldigen met de zogeheten woonlandfactor. De woonlandfactor geeft de verhouding weer tussen de gemiddelde zorgkosten voor een persoon in het woonland en de gemiddelde zorgkosten ten laste van de sociale zorgverzekeringen in Nederland.
4.6
De gegevens die aan de woonlandfactoren ten grondslag liggen, kunnen jaarlijks fluctueren. Als het aansprakenpakket van een land wordt aangepast, heeft dat gevolgen voor de kosten van dat pakket. Ook zijn demografische ontwikkelingen van invloed, evenals fluctuaties in de wisselkoers.
4.7
Met de woonlandfactor wordt tot uitdrukking gebracht in welke mate de in dit woonlandpakket opgenomen zorg zich verhoudt tot de in het Nederlandse pakket (Zvw en Wlz) opgenomen zorg. Door toepassing van de woonlandfactor draagt eiser niet bij aan zorg die niet behoort tot het Franse pakket van de sociale ziektekostenverzekering.
5.1
Verweerder stelt dat eiser verdragsgerechtigd is en op grond van de Verordening nr. 883/2004 recht heeft op medische zorg in Frankrijk voor rekening van Nederland.
De Franse verzekeringsinstelling heeft dit recht op zorg via het E121 formulier bevestigd. Daarom is eiser op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw deze bijdrage verschuldigd.
5.2
Verweerder is gehouden om toepassing te geven aan Bijlage 4 van de Regeling zorgverzekering, waarin de woonlandfactor is opgenomen (Stcr.2017, nr. 66088, 20 november 2017).
5.3
De rechtbank stelt vast dat verweerder bij de berekening van de grondslag van de buitenlandbijdrage de, hierboven genoemde, voorgeschreven systematiek heeft gehanteerd. Vervolgens heeft verweerder op juiste wijze deze grondslag, bestaande uit het Zvw-deel en het nominale deel, vermenigvuldigd met de woonlandfactor. Eiser heeft in beroep weliswaar gesteld dat de gemaakte berekeningen niet juist zijn, maar hij heeft die stelling op geen enkele manier onderbouwd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4212).
6.1
Voor zover eiser verwijst naar door de Belastingdienst ingehouden bedragen overweegt de rechtbank dat de bestreden besluiten geen betrekking hebben op bedragen die de Belastingdienst heeft verrekend, dan wel heeft geïnd. Daarbij komt dat verweerder slechts rekening dient te houden met aan hem afgedragen bedragen en niet met bedragen die (abusievelijk) aan de Belastingdienst zijn afgedragen. De rechtbank laat dit betoog van eiser dan ook buiten beschouwing.
6.2
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn principiële standpunt over de (on)rechtvaardigheid van de berekeningssystematiek. De taak van de bestuursrechter beperkt zich tot de toetsing van de rechtmatigheid van besluiten. Dit betekent dat binnen het systeem van de scheiding van de staatsmachten, rechtvaardigheid en eventuele ongelijkheid van een door de wetgever uitdrukkelijk bepaalde rekenmethode, niet door de bestuursrechter kan worden gewogen, zeer bijzondere gevallen daargelaten. In dit geval kan de rechtbank daarom niet anders dan concluderen dat de beroepsgronden niet kunnen slagen, omdat verweerder de dwingendrechtelijk voorgeschreven berekeningssystematiek op de juiste wijze heeft toegepast.
6.3
Tot slot merkt de rechtbank op dat verweerder hangende dit beroep bij brief van 23 juni 2020 uitgebreid heeft gereageerd op de klachten van eiser. In de bijlagen bij die brief heeft verweerder vervolgens uitvoerig uitgelegd hoe de buitenlandbijdragen van eiser zijn berekend en hoe de jaarafrekeningen over 2016 en 2017 tot stand zijn gekomen. Hierdoor is eiser van een uitgebreide toelichting van de werkwijze van verweerder voorzien.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.A. van Weert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.