ECLI:NL:RBDHA:2021:2947
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging strafrechtelijk onderzoek en belangenafweging artikel 8 EVRM
Eiser kreeg een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden na aangifte van mensenhandel. De officier van justitie beëindigde het strafrechtelijk onderzoek voortijdig, waardoor de grondslag voor de vergunning verviel. Verweerder trok de vergunning per 4 februari 2019 in en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond.
Eiser voerde aan dat hij geen toekomst in Egypte heeft vanwege zijn leeftijd, gebrek aan bindingen en zijn Koptische achtergrond. De rechtbank stelde vast dat eiser sinds zijn 25e in Egypte verbleef, de taal en cultuur kent en zich daar kan handhaven. Ook het langdurig verblijf zonder vergunning in Nederland werd meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat geen sprake is van een beschermenswaardig privéleven in Nederland. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Verweerder mocht de vergunning intrekken op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.