ECLI:NL:RBDHA:2021:2949
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, vroeg op 31 mei 2019 een verblijfsvergunning aan voor arbeid als zelfstandige. De aanvraag werd op 14 augustus 2019 afgewezen omdat eiser niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf en geen onderbouwd ondernemingsplan had overlegd dat een wezenlijk Nederlands belang diende. Het bezwaar van eiser werd op 26 maart 2020 ongegrond verklaard.
Eiser stelde dat zijn aanvraag wel degelijk volledig was onderbouwd en dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door zonder advies van Economische Zaken te oordelen dat geen wezenlijk Nederlands belang werd gediend. Tevens werd aangevoerd dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd en ten onrechte was afgezien van een hoorzitting.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende stukken had overgelegd in de aanvraag- en bezwaarfase en dat de aanvullende stukken na de bezwaarfase niet in aanmerking konden worden genomen. Verweerder had gemotiveerd aangegeven waarom het ondernemingsplan onvoldoende was en dat het aan eiser was om dit aan te vullen. Het afzien van een hoorzitting was gerechtvaardigd omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar zou leiden tot een ander besluit.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning voor zelfstandige arbeid is ongegrond verklaard.