ECLI:NL:RBDHA:2021:2978
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken machtiging advocaat onterecht
Eiseres en haar kinderen kregen in augustus 2017 een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Verweerder trok deze vergunningen met terugwerkende kracht in wegens vermeende onjuiste of achtergehouden informatie. Het bezwaar tegen deze intrekking werd door verweerder niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een machtiging van de advocaat die het bezwaar indiende.
De rechtbank onderzocht of het voor verweerder redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de gemachtigde advocaat was op het moment van indiening van het bezwaar. De advocaat stond toen nog ingeschreven in het register van de Orde van Advocaten en gebruikte briefpapier met zijn advocatentitel. Daarom mocht verweerder niet om een machtiging vragen.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot niet-ontvankelijkheid onterecht was en vernietigde dit besluit. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht terugbetaald.
Het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen omdat het beroep nu is beslist. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van de rechtbank Den Haag op 22 februari 2021.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot niet-ontvankelijkheid van het bezwaar en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen.