Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In het belang van [naam] adviseert de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank om het verzoek van moeder voor een wijziging in het gezag over [naam] , van gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag bij moeder toe te wijzen, omdat het momenteel onmogelijk is voor ouders om gezamenlijk gezag uit te oefenen. (…) De RvdK schat in dat ouders nog een lange weg te bewandelen hebben voordat het mogelijk is om wel onderling contact te kunnen hebben en samen tot afspraken te komen. Het is voor ouders namelijk niet mogelijk om onderling contact te hebben en gezag op afstand is praktisch niet uitvoerbaar omdat ouders daarvoor in dusdanig contact moeten staan, dat vader op de hoogte is van verzoeken om in te stemmen met te nemen beslissingen over [naam] . Vader zou hierdoor achter gegevens komen die moeder (vooralsnog), in verband met de veiligheid, voor hem wil afschermen. (…) Vaders leefsituatie biedt onvoldoende continuïteit en stabiliteit, bovendien heeft [naam] geen band met zijn vader omdat hij deze al meer dan een jaar niet meer heeft gezien.”
Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat de ouders al anderhalf jaar niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. De man heeft [naam] al die tijd niet meer gezien. Door bedreigingen aan het adres van de vrouw, daargelaten of deze afkomstig zijn van de man, lukt het de hulpverlening niet om begeleide contactmomenten tussen [naam] en de man tot stand te brengen.”
De IND merkt zorg- en/of opvoedingstaken met een marginaal karakter niet aan als daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van het minderjarige kind, tenzij het marginale karakter van de zorg- en/of opvoedingstaken de vreemdeling niet is aan te rekenen. Het wordt de vreemdeling niet aangerekend als hij/zij kan aantonen dat de andere ouder de omgang met het kind frustreert.
de opdracht van de kinderrechter om begeleide omgang op te starten niet tot uitvoering is gebracht doordat de moeder van zijn kind daar niet aan meewerkte”. De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten de omstandigheden die volgen uit deze stukken in zijn beoordeling te betrekken. Uit verweerders besluitvorming valt namelijk op geen enkele wijze af te leiden dat – conform het beleid – is betrokken of in het geval van eiser al dan niet sprake is van frustratie van de omgang door de moeder. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op de weg van verweerder gelegen. Dat eiser zich niet expliciet heeft beroepen op deze passage uit de Vc 2000, maakt dat niet anders.