ECLI:NL:RBDHA:2021:3068

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 799
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:6 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen op brief inzake salarisbetaling

Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op een brief die haar gemachtigde op 4 november 2020 had ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Westland. Verweerder heeft op 30 november 2020 een besluit genomen en dit aan eiseres medegedeeld.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 6:2 Awb Pro het niet tijdig nemen van een besluit gelijkstaat aan een besluit, waartegen beroep openstaat. Echter, verweerder heeft tijdig een besluit genomen, zodat de situatie van niet tijdig beslissen niet aanwezig was op het moment van het instellen van het beroep.

Eiseres voerde aan dat het besluit van 30 november 2020 ten onrechte werd aangemerkt als een herhaald verzoek en dat zij het besluit niet als reactie op haar brief had opgevat. De rechtbank oordeelt echter dat dit betoog niet kan slagen omdat eiseres geen bezwaar of beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 30 november 2020.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder tijdig heeft beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/799

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 april 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D. van Raaij),
en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder

(gemachtigde: mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten).

Procesverloop

Op 29 januari 2021 heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld, gericht tegen het door verweerder niet tijdig beslissen op een door haar gemachtigde op 4 november 2020 ingediende brief.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.
2. Op grond van artikel 6:12, eerste lid, van de Awb is het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet aan een termijn gebonden.
Op grond van het tweede lid van dit artikel, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3. Bij besluit van 30 november 2020 (verzonden 3 december 2020) heeft verweerder in reactie op de brief van 4 november 2020 aan de gemachtigde van eiseres het volgende laten weten.
“Bij brief d.d. 4 november 2020 heeft u namens mevrouw [eiseres] bezwaar gemaakt tegen
het in februari 2015 genomen besluit om de doorbetaling van haar salaris te staken. U stelt dat
het betreffende besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en derhalve niet in
werking is getreden en u verzoekt om de salarisbetaling met terugwerkende kracht te hervatten.
Voor de goede orde merken wij allereerst op dat het gegeven dat de doorbetaling van het salaris
indertijd is gestaakt, voortvloeit uit het besluit van 6 februari 2015. Dat besluit staat
onherroepelijk vast.
Uit uw brief leiden wij af dat daarmee hetzelfde wordt beoogd als met de brief die de heer mr.
J. Jaab ons op 10 december 2018 namens mevrouw Van Leeuwen gestuurd heeft. Wij merken
uw brief dan ook aan als een herhaald verzoek in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet
bestuursrecht.
Uw brief bevat geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Gelet hierop wijzen wij
uw verzoek af, onder verwijzing naar onze besluiten van 6 februari 2015, 22 maart 2018, 19
november 2018 en 7 februari 2019.”
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb beschreven situatie deed zich op 29 januari 2021 niet voor. Verweerder heeft op 30 november 2020 op het bezwaar in de brief van 4 november 2020 beslist. Verweerder heeft gemotiveerd het standpunt ingenomen dat het bezwaar is aangemerkt als een herhaald verzoek en daarbij vermeld dat daartegen bezwaar kon worden gemaakt.
Ter zitting heeft eiseres betoogd dat verweerder ten onrechte het bezwaar als een herhaalde aanvraag heeft aangemerkt en zij het besluit van 30 november 2020 niet heeft opgevat als een reactie op haar brief van 4 november 2020. Dit betoog kan haar echter niet baten omdat zij geen bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 30 november 2020. Zou zij dat hebben gedaan dan had zij het betoog in een procedure tegen het besluit van 30 november 2020 naar voren hebben kunnen brengen.
4. Wat eiseres heeft aangevoerd in haar reactie van 17 februari 2021 en op zitting heeft betrekking op de stopzetting van haar salarisbetaling. In deze procedure gaat het alleen over het al dan niet (tijdig) beslissen op de brief van 4 november 2020.
5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W.J. Sloots, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.