ECLI:NL:RBDHA:2021:3114
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening onterecht wegens ontbreken onderduiken
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de vraag of eiser, die gedurende de overdrachtstermijn van de Dublinverordening één keer zijn meldplicht niet nakwam maar zich daarna weer meldde en in opvang verbleef, als ondergedoken kan worden beschouwd. Verweerder had de overdrachtstermijn verlengd op grond van onderduiken, waardoor Nederland de asielaanvraag niet in behandeling nam.
Eiser had op 7 augustus 2020 zijn meldplicht gemist wegens milde gezondheidsklachten en meldde zich een week later weer bij het COA. Er was op dat moment nog geen overdracht gepland en verweerder had onvoldoende gemotiveerd dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. De rechtbank volgde het arrest Jawo van het Hof van Justitie, dat onderduiken alleen geldt bij doelbewuste onttrekking aan autoriteiten met de intentie overdracht te frustreren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken en dat eiser het vermoeden van onderduiken had weerlegd. De verlenging van de overdrachtstermijn was daarom onterecht. Nederland is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. Het beroep is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Verweerder is veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit en bepaalt dat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag omdat eiser niet ondergedoken was.