ECLI:NL:RBDHA:2021:3118

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
31 maart 2021
Zaaknummer
C/09/603659 / JE RK 20-2805
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BWArt. 1:265j BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen

De kinderrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 16 maart 2021 besloten de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen te verlengen tot 18 juni 2021. Deze beslissing volgt op een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Haaglanden om de uithuisplaatsing voort te zetten gedurende de ondertoezichtstelling.

De kinderen zijn sinds 18 december 2020 uit huis geplaatst in een gezinsgerichte voorziening. Het onderzoek naar terugplaatsing bij de moeder is gestart, maar verloopt moeizaam en traag. Er is onvoldoende zicht op de thuissituatie en het perspectiefonderzoek is nog niet afgerond. Gezien de eerdere zorgen over huiselijk geweld en verwaarlozing acht de rechter het niet in het belang van de kinderen om hen nu terug te plaatsen.

De moeder heeft aangegeven zich niet voldoende betrokken te voelen bij het traject en uitte zorgen over de lange duur en onduidelijkheid. De kinderrechter benadrukt het belang van betere communicatie en samenwerking tussen moeder en de gecertificeerde instelling. De machtiging wordt daarom verlengd, met het oog op een zorgvuldig en zorgvuldig vervolg van het traject.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de twee minderjarige kinderen wordt verlengd tot 18 juni 2021.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/603659 / JE RK 20-2805
Datum uitspraak: 16 maart 2021

Beschikking van de kinderrechter

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak naar aanleiding van het op 1 december 2020 ingekomen verzoekschrift van:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

verder: de gecertificeerde instelling,
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedag 1] 2009 te [geboorteplaats]
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2]op [geboortedag 2] 2013 te [geboorteplaats]
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vrouw 1]

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner, te Den Haag.

[de vrouw 2]

hierna te noemen: de pleegmoeder van [minderjarige 1] ,

[pleegouders] , hierna te noemen: de pleegouders van [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de Raad.

Het procesverloop

Bij beschikking d.d. 17 december 2020 van de kinderrechter in deze rechtbank zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis geplaatst in een gezinsgerichte voorziening van 18 december 2020 tot 18 maart 2021 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:
  • voornoemde beschikking d.d. 17 december 2020;
  • het advies van de Raad voor de Kinderbescherming als bedoeld in artikel 1:265j, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek d.d. 26 februari 2021;
  • het verslag van de ambulant begeleider van de moeder, [ambulant begeleider] d.d. 10 maart 2021;
  • de verklaring van de moeder d.d. 11 maart 2021;
  • de schriftelijke rapportage van de gecertificeerde instelling d.d. 11 maart 2021.
Op 16 maart 2021 is de behandeling van de zaak ter zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij zijn verschenen:
  • mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad;
  • [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en haar begeleider de [ambulant begeleider]
De pleegmoeder van [minderjarige 1] en de pleegouders van [minderjarige 2] zijn conform de wettelijke vereisten opgeroepen, maar niet verschenen.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 18 juni 2021.
Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. Een verlenging van de uithuisplaatsing is noodzakelijk om de komende periode te kunnen onderzoeken wat de mogelijkheden zijn met betrekking tot de terugplaatsing van de kinderen naar de moeder. Dit onderzoek is nu gestart via Jeugdformaat. Er zijn fouten gemaakt in het verleden waardoor er onvoldoende is gewerkt naar terugplaatsing en het traject stug en traag verloopt. De aanvaardbare termijn is verstreken, en door het Hof is opdracht gegeven de mogelijkheden van terugplaatsing bij de moeder te onderzoeken binnen 6 maanden. Op dit moment is nog meer onderzoek nodig en is het niet in het belang van de kinderen om ze nu al terug te plaatsen bij de moeder, omdat het perspectief eerst duidelijk moet worden. De kinderen gaan één keer per maand naar de moeder. Er zijn duidelijke doelen opgesteld met de moeder en de begeleider waar de komende periode aan gewerkt zal worden. Het is van belang dat het traject zorgvuldig wordt doorlopen.
De moeder heeft, mede bij monde van haar advocaat, verklaard dat ze bij veel onderwerpen over haar dochter niet wordt betrokken. De advocaat heeft benadrukt dat het traject al te lang duurt en er nog steeds geen duidelijkheid is. Hierdoor wordt de aanvaardbare termijn willens en wetens overschreden. Er komt niets van de grond en het is vooralsnog niet duidelijk wat er van de moeder wordt verwacht. Hierdoor zakt bij de moeder de moed in haar schoenen en stelt ze zich strijdbaar op. De omgangsregeling ging goed, maar de laatste paar keer is er afgezegd, omdat er in het gezinshuis geen ruimte was. De moeder wil weer voor de kinderen kunnen zorgen en het is van belang dat er vaart wordt gemaakt en het perspectief wordt bepaald.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn.
Daarbij overweegt de kinderrechter dat er tot op heden onvoldoende zicht is op de situatie bij de moeder thuis. Het traject is moeizaam van de grond gekomen, waardoor het perspectiefonderzoek nog niet is afgerond. Gelet op de zorgen uit het verleden waarbij de kinderen getuige en slachtoffer zijn geweest van huiselijk geweld en verwaarlozing is het niet in het belang van de kinderen om ze op dit moment terug te plaatsen bij de moeder. Er moet eerst verder onderzocht worden wat het perspectief is en of terugplaatsing mogelijk is. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen zoals verzocht. Benadrukt wordt dat het zeer betreurenswaardig is dat het traject zoveel vertraging heeft opgelopen en dat de samenwerking met de gecertificeerde instelling zo moeizaam is verlopen. Het is van belang dat de moeder en de gecertificeerde instelling de komende periode beter met elkaar gaan communiceren en zich beide opnieuw positief inzetten. De kinderrechter realiseert zich daarbij terdege dat van de moeder in dit opzicht veel wordt gevraagd, maar spreekt de hoop uit dat zij zich toch wil inzetten voor een betere samenwerking, in het belang van haar kinderen.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
verlengt de aan Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden verleende machtiging [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening van 18 maart 2021 tot 18 juni 2021, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2021 door mr. A.J. Japenga, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.D.C. Donker Ladrón de Guevara als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 maart 2021.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van
het gerechtshof Den Haag.