ECLI:NL:RBDHA:2021:3222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten wegens overschrijding beslistermijn in vreemdelingenzaak
Verzoeker is op 6 juli 2020 in beroep gegaan omdat de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet tijdig had beslist op zijn aanvraag. Nadat verzoeker het beroep had ingesteld, nam verweerder alsnog op 22 juli 2020 een besluit. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht de rechtbank om verweerder te veroordelen tot vergoeding van zijn proceskosten.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet heeft gereageerd op het verzoek tot proceskostenvergoeding, wat impliceert dat hij geen bezwaar heeft tegen vergoeding. Omdat de beslissing pas na het instellen van het beroep is genomen, is vergoeding van proceskosten op zijn plaats. De vergoeding wordt vastgesteld op een vast bedrag van €267,-, waarbij rekening is gehouden met een lagere wegingsfactor van 0,5 omdat de zaak alleen ging over de overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van dit bedrag aan verzoeker. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier M. Bos en is openbaar gemaakt op 7 januari 2021.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €267,- aan proceskosten wegens overschrijding van de beslistermijn.