ECLI:NL:RBDHA:2021:3278

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2021
Publicatiedatum
2 april 2021
Zaaknummer
SGR 20/2882
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:28 APV Alphen aan den Rijn 2014
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing exploitatievergunning coffeeshop wegens gebrek aan procesbelang

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning voor een coffeeshop met een verzoek om een gedoogverklaring voor de verkoop van softdrugs. De burgemeester van Alphen aan den Rijn heeft deze aanvraag afgewezen, met als reden dat het beleid een maximum van twee coffeeshops toestaat en dat de locatie niet geschikt is volgens het bestemmingsplan.

Eiser betoogt dat zijn beoogde coffeeshop alleen softdrugs op afhaalbasis zal verkopen zonder consumptiemogelijkheid, waardoor geen exploitatievergunning nodig zou zijn. De rechtbank oordeelt echter dat eiser geen actueel procesbelang heeft bij zijn beroep, omdat hij zelf aangeeft dat een exploitatievergunning niet nodig is voor zijn situatie.

De rechtbank bevestigt het gedoogbeleid van de gemeente dat een maximum van twee coffeeshops toestaat en dat deze alleen op locaties met horecabestemming mogen worden gevestigd. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de exploitatievergunning wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/2882

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2021 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [H.O.D.N.] , te [vestigingsplaats] , eiser

(gemachtigde: J.J. Stikvoort),
en

de burgemeester van Alphen aan den Rijn, verweerder

(gemachtigde: I. Borst).

Procesverloop

In het besluit van 21 november 2019 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een exploitatievergunning afgewezen.
In het besluit van 31 maart 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, via een Skype-verbinding, plaatsgevonden op 25 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een exploitatievergunning op grond van artikel 2:28 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Alphen aan den Rijn 2014 (hierna: de APV) voor de [H.O.D.N.] aan de [straat] [huisnummer] te [plaats] . Eiser heeft hierbij ook een gedoogverklaring verzocht voor de verkoop van softdrugs.
1.2.
Bij brief van 30 oktober 2019 heeft verweerder eiser kenbaar gemaakt dat aan hem geen gedoogverklaring zal worden verleend. Verweerder legt hieraan ten grondslag dat er al twee gedoogverklaringen zijn afgegeven en de gemeente een maximumbeleid van twee coffeeshops hanteert.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, nu voor het betreffende adres de bestemming ‘gemengd’ geldt met als specifieke bestemming ‘detailhandel’.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij voert aan dat zijn beoogde coffeeshop onder de definitie van ‘detailhandel’ valt zoals bedoeld in het geldende bestemmingsplan. In eisers beoogde coffeeshop zal namelijk op afhaalbasis softdrugs worden verkocht, zonder dat er de mogelijkheid is tot consumptie van softdrugs of alcoholvrije dranken in het pand. Van horeca en daarmee strijdigheid met het bestemmingsplan is dan ook geen sprake. In zoverre heeft eiser dan ook geen exploitatievergunning nodig. Eiser betoogt dat het runnen van een coffeeshop op deze manier echter onmogelijk is door het beleid van verweerder, nu het verkrijgen van een gedoogverklaring (die vereist is voor het verkopen van softdrugs) alleen mogelijk is als men een exploitatievergunning bezit. Eiser is daarom gedwongen om zijn aanvraag voor een exploitatievergunning te handhaven.
4. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of eiser procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep en overweegt daartoe het volgende. Eiser heeft in beroep betoogd dat met zijn beoogde coffeeshop geen sprake zal zijn van horeca, omdat er enkel softdrugs zal worden verkocht en het niet mogelijk zal zijn softdrugs of alcoholvrije dranken te consumeren in het pand zelf. Hij heeft hierbij zelf aangegeven dat een exploitatievergunning voor een openbare inrichting in die zin dan ook niet nodig is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser geen actueel procesbelang heeft bij zijn beroep. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.
5. Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van de gedoogverklaring dat het al jaren bestendig gedoogbeleid is van verweerder om een maximumaantal van twee coffeeshops in de gemeente te hanteren en om een coffeeshop alleen toe te staan op een locatie waar horeca mag worden gevestigd. De omstandigheid dat dit beleid door een fusie van de gemeente tijdelijk, en ten tijde van de aanvraag, niet op papier was vastgesteld, maakt niet dat er aanleiding was om te veronderstellen dat dit bestendige beleid niet meer gold. Dat het op grond van dit gedoogbeleid niet mogelijk is een coffeeshop te exploiteren op een perceel waar geen horeca is toegestaan komt de rechtbank niet onredelijk voor.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
19 maart 2021.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.