De veroordeelde was bij vonnis van 28 mei 2014 veroordeeld tot een PIJ-maatregel, die op 16 april 2020 voorwaardelijk werd beëindigd. De officier van justitie verzocht verlenging van deze voorwaardelijke beëindiging met één jaar vanwege verslechteringen in het functioneren van de veroordeelde.
De reclassering adviseerde aanvankelijk verlenging met behoud van voorwaarden, gezien het opbouwen van een pro-sociaal netwerk en inzet voor werk, maar constateerde tijdens de zitting dat de situatie verslechterd was. De veroordeelde verloor zijn baan door corona, woonbemiddeling verliep niet succesvol en er zijn verdenkingen van nieuwe strafbare feiten.
De officier van justitie handhaafde de vordering tot verlenging, met aanpassing van de voorwaarde voor ambulante behandeling. De verdediging pleitte voor afwijzing en het vervallen van enkele voorwaarden, waaronder het woonadres en het reisverbod.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde nog niet voldoende stabiel is op leefgebieden als werk, wonen en het niet plegen van strafbare feiten. Daarom is verlenging van de voorwaardelijke beëindiging noodzakelijk. De bijzondere voorwaarden blijven grotendeels gehandhaafd, met uitzondering van het volgen van ambulante behandeling. De veroordeelde moet zich houden aan de voorwaarden om een verantwoorde terugkeer in de samenleving mogelijk te maken.